top of page

Een modern brilmontuur

​Sommige onbelangrijke ervaringen blijven je soms bij. Zo herinner ik me dat ik tien jaar geleden een espresso bestelde op de boulevard van een mondaine Spaanse badplaats. De jonge seveerster kwam met kwieke tred mijn espresso brengen. Ze keek me  wat langer dan gebruikelijk aan en zei: ‘Wat draagt u een mooie, karateristieke bril.’ Ik was blij verrast en vroeg: ‘Waarom vind je mijn bril zo mooi?’ ‘Omdat ie precies lijkt op de bril die Le Corbusier voor de oorlog droeg’, was haar reactie. Zij kende het werk van Le Corbusier omdat ze in Valencia kunstgeschiedenis studeerde, legde ze mij uit. Toevallig  had ik net een artikel gelezen over Le Corbusier’s bezoek in 1935 aan het Amsterdamse Stedelijk Museum. Op de foto’s bij het artikel zag ik dat zijn bril precies op de mijne leek.  

​

We zijn nu tien jaar verder, en nog steeds  draag ik dezelfde  bril. Ik vraag me soms af of het geen tijd wordt voor een modern montuur. Zo een met grote glazen gevat in een stevig zwart montuur. Die zag ik zo’n 40 jaar geleden veel in India dat ik toen regelmatig bezocht. Die met plakband bij elkaar gehouden brillen werden steevast gedragen door arme sloebers. Precies dezelfde brillen, maar zonder plakband, worden nu gedragen door museumdirecteuren (m/v), artiesten (m/v) en, niet te vergeten, Prins Bernard junior (m). Kortom, allen modebewuste lieden die de brillenavantgarde leiden.

​

Er zijn altijd  types geweest die niet slaafs de brillenmode volgden; zij kozen een afwijkend  maar wel opvallend montuur. Wie herinnert zich niet de Noord-Ierse snookerspeler Dennis Taylor met zijn grote ondersteboven gedragen bril; hij is er wereldkampioen snooker mee geworden. En denk ook aan Eddie the Eagle, de onfortuinlijke Britse skischansspringer. Het was niet zijn bril met zeer  dikke glazen die hem onderscheidde, maar het feit dat hij de enige brildragende schansspringer in de historie van deze edele sport was. Bovendien eindigde hij altijd als laatste in Olympische schansspring toernooien. In eigen land hebben we voormalig buschauffeur Fred Teeven die in het rijtje van lieden met afwijkende monturen thuis hoort. Hij draagt een bijzonder kleurrijke bril, met cirkelvormige glazen; een bril die louter door varieté artiesten wordt gedragen.Dit ligt anders bij de betreurde Jacques D’Ancona, de sympathieke toneelrecensent, voetbalscheidsrechter en eertijds kritisch jurylid van de Soundmixshow en, later, Ron’s Honeymoonquiz. Hij droeg bij elke uitzending een andere bril.  Een van zijn gevleugelde woorden was: ‘Als ik niet meer scherp zie, dan stop ik.’ Aan Jacques’ vele brillen heeft het niet gelegen dat hij toch te lang is doorgegaan.

​

Toen ik Jacques’ wijze woorden op mij liet inwerken besloot ik toch eens mijn opticien te bezoeken. Dat bleek een verstandig besluit want, inderdaad,  ik zag het niet zo scherp meer. De opticien snelde al naar de wand met een duizelingwelkkende hoeveelheid modieuse monturen en sommeerde me er een uit te kiezen. Maar toen schoot me de flatteuse opmerking van de serveerster weer te binnen. Weliswaar had ik sterkere glazen nodig maar beslist geen nieuw montuur; het mijne was  tijdloos.

​

Peter de Haan                                                                                                                                     september 2026

De ontketende tuinier

Met Kerstmis kreeg ik een piepklein kerstroosje. Ik besloot het met veel zorg op te kweken. Vorige week zag ik tot mijn vreugde dat het plantje al een flinke stam had. Dat deed me denken  aan Cees Buddigh’s Ode aan een bruine esdoorn. Die ode had ik minstens 50 jaar geleden gelezen. Toch herinnerde ik me vooral de laatste strofen: ‘Af en toe hoor je hem ruisen, wat ieltjes nog/ Soms, op vakantie, kijken mijn vrouw en ik elkaar aan en zegt een van ons (vooral als het hard waait): Hoe zou het met onze esdoorn gaan? De dichter realiseerde zich dat zijn leven er iets had bijgekregen, als een onecht nakomertje.

​

Nu beschouw ik ons kerstroosje niet als een nakomertje, maar toch, ik raak er wel steeds meer aan gehecht. Ik volg de ontwikkeling van het plantje  op de voet in de hoop dat het een prachtige kerstroos zal worden. Naast de kerstroos zijn er ook andere planten die me dagelijks bezighouden. Na het opstaan, inspecteer ik de nieuwe bladeren van onze gatenplant. Het zijn er veel meer dan in vorige jaren. Ze dienen zich eerst in opgerolde staat aan en rollen zich daarna tergend langzaam uit tot een fris glanzend nieuw blad. Ook mijn kamerpalm kent dit jaar een ongekende uitbreiding van nieuwe loten. Eerst verschijnt een stevige spriet die niet onmiddellijk opvalt. Later vertakt de spriet zich en ontstaat, ook weer tergend langzaam, een nieuw uitgewaaierd palmblad. Ik weet niet waaraan ik dit alles te danken heb. Komt het omdat ik de planten dit jaar regelmatig bewonderend toespreek, of zou ik langzamerhand groene vingers beginnen te krijgen?

​

Dan zijn  er ook onze kruiden-en bloembakken op het balkon. Elk voorjaar verheug ik mij op het nieuwe seizoen. Potgrond en jonge plantjes worden gekocht. De bakken worden voorzien van verse aarde, waarin de nog kwestbare jonge plantjes worden geplant. Dit voorjaar woei een gure voorjaarswind onafgebroken over de aanplant. Peterselieplantjes en de aardbeienplantjes moesten het ontgelden. Met de kruidenplantjes  liep het goed af. Ik ben zelfs trots op de gekweekte verse kruiden. Als we bezoek hebben en mijn vrouw roept uit  de keuken: ‘Liefste, wil je even wat verse tijm, koriander en peterselie plukken voor het gerecht dat ik de gasten wil presenteren?’  Ik veer dan onmiddellijk uit mijn stoel op (vooral vanwege het ongebruikelijke ‘Liefste’), pluk het gevraagde en toon de gasten vol trots mijn oogst.

​

Met de aardbeienplantjes ging het een stuk minder goed. Vorig jaar had ik slechts een (1) aardbei geoogst. Het moesten er dit jaar besist meer worden, vond ik. Op een gegeven moment was mijn geduld met de onbramhartige wind op en heb ik de bak met aardbeienplantjes naar het wind-vrije balkon van mijn zus gebracht. En dat hielp, want dit jaar heb ik zes (6) bijzonder smakelijke aardbeien geoogst. Volgend voorjaar kweek ik de aardbeienplantjes op in een apart kasje zodat ze windvrij kunnen uitgroeien tot planten met een indrukwekkende productiviteit, hoop ik.

​

Peter de Haan                                                                                                                                     augustus 2026

Leve de moraal

​In het bibliothedekkastje naast de kapel van de Liedse katholieke begraafplaats vond ik een onopvallend boekje getiteld Land van Domineeskinderen (2002). Ik pakte het uit het kastje omdat ik wilde weten waarom juist domineeskinderen opvallen zoals Annie M.G. Schmidt, Freek de Jonge, en ‘het prototype van iemand die heel graag wil deugen’ Geert Mak (dixit de Jonge). Hebben zij  ‘een tik van de molen’ opgelopen in hun jeugd; of, voortplantingskundig gesproken, zit er misschien iets extra’s in het DNA van dominees? Dat moet haast wel als je de lange rij van bekende en getalenteerde domineeskinderen op je laat inwerken.

​

Hoe dan ook, dominees oefenen op mij aantrekkingskracht uit. Dat heb ik van mijn moeder; zij wilde  zelf graag predikant worden. Dat ging niet door omdat ze in de crisis van de jaren dertig van school moest om het huishouden van haar ouders te doen. Desondanks heeft ze een reputatie opgebouwd als spreker, met name tijdens begrafenissen. Steevast memoreerde zij de ontroerende kwaliteiten van de gestorvene, wat door de nabestaanden zeer op prijs gesteld werd.

​

Trug naar Land van Domineeskinderen. Het was Freek de Jonge’s idee  om kinderen  van dominees bijeen te brengen. Zij zijn tenslotte bij uitstek kinderen van een cultuur die langzaam uitsterft. De Jonge meende dat zolang een samenleving nog gedekt wordt door een bepaalde filosofie, ze in evenwicht is. En als dat niet meer zo is, ontstaat chaos. In dit opzicht zou het beter zijn, merkte de Jonge nog op, als God wel zou bestaan, maar God was al in 1882 door Nietzsche dood verklaard. We leven nu in een verweesde samenleving. Religie bood troost en, mogelijk zelfs, verlossing. Kortom, dat houvast - wat de kerk vroeger bood - zijn we aan het kwijtraken, merkte de Jonge spijtig op.

​

Kan iets anders, een andere filosofie, dat houvast en het evenwicht in een samenleving  misschien bieden? Zouden de morele aspecten van het  liberalisme niet in die behoefte kunnen voorzien? Het liberalsme is immers veel meer dan een filosofie die goed is voor economische groei. Het benadrukt respect voor de mens die niet alleen de vrijheid heeft om zich te ontwikkelen, verlost van het keurslijf van religier,maar ook de vrijheid van de ander respecteert. Denk ook aan tolerantie. Ware liberalen erkennen dat ze de wijsheid niet in pacht hebben en staan open voor andermans  opvattingen - pluralisme wordt omarmd. Het liberalisme verdedigt  de rechtsstaat hartstochtelijk, en ook de onafhankelijkheid van de rechtspraak, universiteiten en vrije media.

​

Kortom, vrijheid, menselijke waardigheid, tolerantie en  respect voor instituties vormen de morele basis van het liberalisme. Als deze mooie kenmerken weer meer erkend zouden worden, dan moet het toch goed komen met het evenwicht in de samenleving waar  Freek de Jonge zich zorgen over maakte.

​

Peter de Haan                                                                                                                                   juli 2026.

 © 2026 Jovana Stulic

bottom of page